nieuwsbrief
menu Asset 14

Staties in Lublin

Artikel Gastbijdrage
Beeld Chiel te Bokkel
Mail

Maud Vanhauwaert schreef een citybook over Lublin en het leven van Bora: "Sommigen noemden het eenzaamheid die haar bekroop. Anderen melancholie en Tymon noemde het eens, in bijzijn van zijn vrienden, na heel wat glazen wijn: een slinkse poging van de dood."

Statie een

Ze dacht dat de slaap lichter werd met het klimmen van de jaren. Dat er steeds minder te dragen was. Maar de slaap van Bora blijft zwaar. De conducteur tikt haar zachtjes aan. Misschien denkt hij dat ze dood is. Ze leeft. En ze is er.

"We zijn in Lublin."

Afgezien van een paar scharrelende duiven en reclameborden met schaars geklede modellen, is het perron van Lublin verlaten. Op de muren van het station staan vochtvlekken in de vorm van gelobde bladeren. Meer flora is er niet.

Illustratie: Chiel te Bokkel

*

Wandelen. De ene voet voor de andere voor de ene voor de andere. Het soort van repetitiviteit waarbij je toch niet terugkeert naar het beginpunt. Je gaat weldegelijk vooruit.

Bora weet wat haar te wachten staat. Haar overbuurman in Parijs heeft ook Parkinson. Het viel haar op dat die man plots sneller begon te wandelen, in kleine vinnige pasjes. Toen ze hem eens gadesloeg, zag ze dat hij eigenlijk niet meer wandelde: hij liet zich voorovervallen om zich dan weer op te vangen. Hij liep sneller om minder lang te hoeven vallen.

Zover is Bora nog niet. Haar linkerarm zwaait niet goed meer mee, maar haar wandelen is nog geen vallen.

Statie twee

Bora was nog geen veertien toen ze voor het eerst stilviel. Zoals elk jaar wandelde ze met haar moeder op de dijk in Marseille. Het was vakantie. Ze hadden de verzengende hitte van de hoofdstad ontvlucht en kwamen weer een weekje uitwaaien aan zee.

Ze struinden langs de viskraampjes waaraan wijtingen bengelden, in reeksen met ruw touw aan elkaar geknoopt. Haar moeder had ze het liefst zo droog mogelijk. Ze maakte er een jaarlijkse gewoonte van om eerst, in verschillende kraampjes, aan de vissen te voelen, alvorens ze, in een tweede ronde, er een paar kocht.

Ze deed het onopvallend, bang misschien dat de viskramers haar onfatsoenlijk zouden vinden. Ze was een nette, discrete dame uit Parijs, maar tijdens haar jaarlijkse vakantie gunde ze zichzelf dit heimelijke, bijna intieme, tasten. "Permettez-moi cette liberté", zei ze dan uitgelaten, aan niemand in het bijzonder, en voor Bora was het een teken dat ze even vrij mocht rondwandelen om haar moeder dan straks weer bij het eerste kraampje te zien.

Behalve vis kon je op de dijk ook souvenirs kopen, sieraden, zonnebrillen, vliegers, snorkelspullen, grote badhanddoeken met filmsterren in felle kleuren, en op een vaste stek stonden al even bontgekleurde Peruvianen die er toch altijd een beetje droevig uitzagen, zo met hun lippen naar panfluiten gekromd.

Bora kende de kraampjes en had geen zin om zich door het gewemel van slefferende toeristen te wurmen. Ze boog haar dunne meisjeslijfje over de reling tussen de dijk en het strand. Ze keek naar de golven, die kwamen aangrommen, afzwakten en dan zachtjes de koppen neervlijden op het strand.

In de terugtocht had haar moeder honderduit gepraat, over hoe prachtig ze Marseille wel niet vond, en kijk, zie je die zwemmer, en kijk, dat schip daar, en tiens, die man, wat loopt hij gek, net alsof hij hoefjes heeft. En was de zon niet net als een appel op de kermis, gedrenkt in rode suikerstroop? Was de avond niet zoet?

Ze praatte zo veel en zo enthousiast dat ze niet het stilzwijgen ontwaarde, waarmee haar dochter zich voor het eerst omhulde en dat haar later jeukend verontrustte.

*

De afstand tussen het hoofdstation van Lublin en de omcirkelde kathedraal is, op het stadsplan, slechts een wijsvinger lang. Bora begint aan haar wandeling. Dworcowa, dat is de eerste straat.

Ze neemt de eerste afslag, de Mlynska-straat in, en wandelt verder naar de Lubelskiego. Ze vouwt wegen open, die daarvoor nog in een plooi lagen. Er zijn weinig mensen op straat.

Op een hoek staat een bedelaar, die op een mondharmonica speelt. Voor hem ligt een slappe, vaalgroene pet. Hij houdt zijn vingers aan zijn mond, alsof hij ze, terwijl hij speelt, warm blaast.

Statie drie

Parijs, na de oorlog: dagelijks werd wel ergens een vernissage georganiseerd. Het leek alsof de stad zich voortdurende opende.

In de oorlog werden gaten in de muren geschoten. Na de oorlog werden ze voorzichtig geboord. De kunst was om met zo weinig mogelijk gaten zo veel mogelijk schilderijen op te hangen. Die kunst beheerste Bora. Loodrecht en waterpas, daar streefde ze naar, telkens weer, bijna dertig jaar lang.

*

Ze stond op een trapladdertje in Le Musée de Poche. Buiten was het koud. De vrieskou van januari brak de akkers open en ook in Parijs trok de winter haar voren, in het gelaat van bewoners die zich haastten naar huis.

In het museum was het altijd even warm. In haar handen hield Bora een werk van een van de kunstenaars van Kasztel: een Poolse kunstenaarsgroep die hier binnenkort zou exposeren. Het werk bestond uit een celluloidplaat met daarop felgele, azuurblauwe en vaalroze vlekken in voor Bora nietszeggende vormen. Bora zag meestal niet veel in al die avant-gardistische werken, die van overal ter wereld witte muren zochten in Parijs. Ze maakte zich er niet druk om. Haar ging het om de achterkant.

Illustratie: Chiel te Bokkel

Net voor ze het schilderij aan het voorziene haakje wilde hangen, sprak Tymon Dziaduszycki-Sas: "Ben je mij aan het kruisigen?".

Zijn stem klonk vol in deze zo goed als lege ruimte van het museum. Bora draaide zich om, op het trapladdertje, en keek hem aan. Er was weinig binnenvallend licht. Er was slechts één raam in deze zaal en er hingen zoveel zware wolken boven Parijs, dat het licht wel de kracht had om door het dek naar beneden te vallen, maar niet om, eenmaal geland, zich zijdelings doorheen spleten, kieren en glaswerk aan de schaduw op te dringen.

Statie vier

"Wat is er?" vroeg haar moeder, toen ze na de wandeling in het broeierige Marseille, terug aankwamen bij het huis van haar zus, Bora’s tante, waar ze een weekje verbleven. Bora haalde haar schouders op. "Waarom ben je zo stil?", vroeg haar moeder, terwijl ze de secuur uitgekozen wijtingen op een bordje presenteerde. "Gewoon", antwoordde Bora.

Toen Bora de volgende dag nog altijd zwijgzaam was, vroeg haar moeder er weer naar en Bora pareerde met hetzelfde antwoord. "Gewoon."

De dag daarna zat Bora aan tafel in een tijdschrift te bladeren. Haar moeder kwam plots uit de keuken en vroeg: "Wat bedoel je eigenlijk met gewoon?"

"Ja, gewoon", zei Bora.

"Ik noem dat niet zo gewoon."

Bora zweeg.

"Vind jij dat gewoon?" riep haar moeder naar haar zus, die op het balkon een lading gewassen ondergoed aan de draad hing.

"Wat?", riep die naar binnen, rood aangelopen – wellicht had ze zich net over de wasteil gebukt.

"Wel, dat een kind van nog geen veertien zo stil is!"

"Wat moet ze dan zeggen?" zei de tante, met alweer een volgende onderbroek.

"Ze zou van alles kunnen zeggen!"

"Zoals?" vroeg Bora nu, oprecht nieuwsgierig.

*

Hoe ouder ze werd, hoe beter Bora de symptomen van haar stilzwijgen begon te herkennen. Ze kon de komst ervan niet afweren, maar wel vertragen, zodat ze er niet meer door verrast werd, maar het langzaam voelde opkomen, van ergens diep onder de grond, klimmend langs haar kuiten, zich optrekkend aan haar heupen en zo, zich hechtend als klimop, tot aan haar hals, waarrond het zich gevaarlijk spande, maar vooral koelte bracht.

Sommigen noemden het eenzaamheid die haar bekroop. Anderen melancholie en Tymon noemde het eens, in bijzijn van zijn vrienden, na heel wat glazen wijn: een slinkse poging van de dood.

Zelf had Bora er geen naam voor. Voor haar was het gewoon. Feit is dat ze op den duur de stilte niet alleen gewillig toeliet, maar er soms zelfs ongeduldig op wachtte.

Statie vijf

Tymon praatte graag en veel. Hij vertelde over Stanislav, met wie hij als kind de broekzakken vol met platte steentjes propte die ze dan later over het meer keilden waar ze in het weekend naartoe fietsten, net buiten de stad, met aan de oever een oud, vervallen klooster met een zurige stank. Van de vleermuizen. Hij vertelde over die keer dat hij alleen naar het verlaten klooster was gefietst en dat de vleermuizen in de nokken murmelden, ja, misschien waren het gevleugelde zielen. Of hij vertelde over toen hij aan het schilderen was en er plots, uit het doek, een hand stak, de hand van een oude vrouw godbetert en toen hij de hand wilde schudden, was er weer alleen het landschapstafereeltje, in waterverf.

Zijn vrienden geloofden zijn verhalen niet, maar dat deed er niet toe, en als iemand er toch iets van zei, verdedigde Tymon zich met "tjah, wat moet je nog geloven, de dag van vandaag" en die uitspraak werd met ernstig hoofdgeknik onthaald en iedereen was opgelucht dat een avond die dreigde te verdampen door de alcohol, op de valreep toch een soort van filosofisch gewicht meekreeg.

Alleen bij zijn vriend Stanislav praatte Tymon niet veel. Toen ze beiden nog in Polen woonden, speelden ze verschillende schaakpartijen per week. Toen Tymon naar Parijs verhuisde, speelden ze via de telefoon. Ze hadden elk een schaakbord, waarop ze dan niet alleen hun eigen zetten deden, maar ook die van de ander. Ze geraakten uiteindelijk zo goed getraind, dat ze op den duur geen bord meer nodig hadden, en de zetten gewoon mondeling deden.

Dan zei Tymon bijvoorbeeld "e4" en antwoordde Stanislav met "e5". Tymon repliceerde met bijvoorbeeld "paard g3" en Stanislav vervolgens met "paard d6".

Toen ook Stanislav naar Parijs verhuisde, bleven ze zo schaken en was het bijna hun enige vorm van communicatie. Dan zaten ze tegenover elkaar op café, met hun blikken star naar het tafelblad en zei de ene "koningin h7" en was het antwoord "toren c8". Alleen bij "schaak" keken ze elkaar aan, altijd een beetje beschaamd. Bora heeft nooit geweten wat ze samen hadden meegemaakt tijdens de oorlog, welke zetten ze deden, maar ze begreep dat ze er beter niet naar groef.

*

De koude in Lublin is scherp. Scherper dan die in Parijs. Er passeren twee gedrongen mannen, het zouden broers kunnen zijn, met zwarte mutsjes op, boven hun afgetekende jukbeenderen. Scherp.

Op het kruispunt van de Lubelskiego en de Aleje Zygmuntowskie staat Bora te wachten voor een rood licht. Naast haar staat een lantaarnpaal, met daarop een sticker van de paus.

Aan de overkant van het zebrapad staat niemand. Ze twijfelt.

Bora had altijd gehoopt dat als je ouder werd en de ledematen verstramden, ook het gemoed minder snel van richting veranderde. Dat je dan minder snel vooruit ging, maar ook minder snel overstag. Als Bora iets van de ouderdom wist, dan was het wel dat het gemoed beweeglijk bleef.

Het blijft lang rood.

Statie zes

De rug van het houten bankje is helemaal verweerd en bestaat uit nog slechts twee schuin gezakte, vermolmde planken. Naast haar zit een man die onverstoorbaar neuriet, met een kartonnen doosje in zijn handen, waarin iets krabbelt. Ze had de Ulica Zamojska moeten inslaan. Bora plooit het stadsplan over haar schoot en zoekt een nieuwe route.

De wind kruipt haar kleren in. Ze trekt haar schouders op. Er staat een oude vrouw in een bushokje, met een paasei dansend op een stokje. Dit is een stad die zich klaarmaakt. Het waait hard. Dit is een stad waar oude huizen klappertanden.

*

"Hoe heet ik ook alweer?" vroeg hij haar vaak. Hij hield ervan om Bora te zien struikelen over zijn naam. Tymon Dziaduszycki-Sas, waarbij "Sas" naar de adellijke familie verwijst. In het wapenschild van veel adellijke families staan helmen, zwaarden en harnassen. Op het wapenschild van familie Sas niet. Daarop staat een lachend gezicht, met sterren als ogen en een halve maan als mond.

Hoe kon het ook anders. Tymon had een lach als een vlag. Fier, hoog, fladderend. Zo’n lach waarvan je hoopt dat hij hoog blijft. Als hij ook maar dreigt halfstok te hangen, zou je een mop bedenken, hoe dwaas ook, om hem weer op te tillen. Zo’n lach dus, licht en opgelucht. En je zou zelf lachen, alleen al in de hoop dat zoals een geeuw een geeuw, een lach een lach losmaakt.

Ook toen Bora zijn naam eigenlijk al foutloos kon uitspreken, struikelde ze met opzet, om nog eens die fonkeling in zijn ogen te zien, zijn volle lach als halve maan.

Statie zeven

Als hij net een kunstwerk af had, riep hij haar in zijn atelier en vroeg wat ze erin zag.

"Ik zie er een flipperkast in."

Tymon keek haar nieuwsgierig aan. Hij knikte, pulkte aan zijn onderkin.

"En wat nog?", vroeg hij, "wat zie je er nog in?"

Bora aarzelde. Ze zette een stap achteruit en kneep haar ogen halfdicht.

"Ik zie er ook een ruwe akker in met een verroeste ploeg"

"En wat nog?" vroeg hij haar gretig.

Tymon wilde altijd werken maken met veel betekenismogelijkheden. Bora begreep dat verlangen niet. Misschien hield ze daarom van wandelen. Je wandelt altijd op één lijn.

De straten van Lublin zijn leeg. Alle winkels zijn gesloten. In een kledingwinkel zijn de prijzen gedaald. Bij een vuilnisbak ligt vuilnis dat er niet meer bij kan. Uit een kerk hoort Bora gezangen. Ze klinken vals. Misschien werd het geluid vervormd door de afstand die het aflegde. Van bij het altaar, door het lange gangpad tot het tochtig entree. Misschien werd het in bogen, nissen en koepels gezogen en kreeg het daar een gevaarlijke golfslag mee. Bora loopt door.

Als ze stilstaat begint ze te trillen. Dan beeft ze in haar ziekte. Maar als ze wandelt, nemen de trillingen af, of misschien wordt de golflengte zo groot dat ze uitvlakken. Het dichte wolkendek hangt laag. Stratuswolken houden de stad in bedwang.

Statie acht

Het is bijna Pasen. Dat voel je. Bora was nooit eerder in Lublin, maar ze voelt dat de stad zich opmaakt. Het is de oppervlaktespanning. De oppervlaktelaag van deze stad is strak gespannen en daaronder is iets gaande, kolkt het.

Ze loopt in een wijk als een barcode van het communisme. Alle blokken staan op welgekozen afstanden van elkaar en hoewel ze geschilderd zijn in flets oranje en muntgroene stroken is haar gevoel, nu ze er doorloopt, zwart, hoogstens grijs. Tussen de blokken ligt her en der een asfalten pleintje. De dribbel van een basketbal, dat is het enige wat ze hoort. Er passeert een vrouw, in legging en een vaalpaars T-shirt met daarop "parasol paradise".

*

"Hoe groot is je vlucht?" vroeg Tymon haar eens. "Wat bedoel je?"

Ze zaten op de sofa, in hun huis in Parijs. Het was een oude sofa, zo een die meegeeft. Tymon had iemand nodig die weerstand bood. Maar van een sofa verlangde hij vooral dat die meegaf, toegaf. ‘Ga eens rechtstaan’. Bora stond recht.

Tymon ging achter haar staan, tilde haar armen op. Zo stonden ze daar, achter elkaar, met gestrekte armen, klaar om te omhelzen, iets?, wat?, de ruimte?, in hun woonkamer waar altijd een paar uitgetrapte schoenen rondslingerden, en ook foldertjes van vernissages, sigarettenpeukjes, flesjes bier en waar het stof overal lag en zich had ingewerkt in het huis, zoals navelpluis in een lichaam.

"Wist je", zei Tymon, "dat de vlucht van een meeuw niet alleen verwijst naar het vliegen, maar ook naar de afstand tussen de uiterste punten van zijn vleugels? Ook als de meeuw stilzit, heeft hij dus een vlucht. Ook een vliegtuig heeft een vlucht. En een hert. De vlucht van een hert is de breedte van zijn gewei. Een molen heeft ook een vlucht. En een vlag? Een vlag heeft ook een vlucht."

"Jouw vlucht", zei hij, hij stond nog steeds achter Bora, "is kleiner en zal altijd kleiner zijn dan die van mij."

Statie negen

Ze stelt zich voor dat de lege straten de hare zijn. Dat ze haar verlengde vormen. Dat het haar uitgestrekte armen zijn die zich vertakken, van het station, tot aan de trieste woonblokken. Dat ze veelarmig de stad draagt.

Ze hield ervan om naar zijn naakte rug te kijken. Soms rolde ze bijna tegen de rand van het bed om er zoveel mogelijk van te zien.

"Kom je niet een beetje dichter liggen?’ vroeg hij. Hij zwaaide een arm naar achteren en graaide slordig in het halfduister. ‘Zie je nog niet genoeg achterkanten in het museum?"

Bora draaide zich om, met haar rug naar hem toe. Toen haar gedachten al begonnen uiteen te rafelen en zich in vreemde strengen samenklitten, als kronkelde straten, fluisterde hij: "In de kathedraal van Lublin is er een kapel met een heel speciale akoestiek. Als je elk in een hoek gaat staan, met je ruggen dus naar elkaar toe, en je fluistert in de richting van de muur, dan kan je elkaar perfect horen."

Bora kreunde, een scharniertje in haar slaap.

Statie tien

Tymon vertelde vaak over zijn familie, vooral over zijn moeder die samenwoonde met haar moeder, in een klein appartement.

Zijn moeder ergerde zich aan de tandeloze grootmoeder, die voortdurend een geluid produceerde, donker en diep, dat door de frequentie waarmee het werd voortgebracht, onmiskenbaar de hik moest zijn.

In het kleine smoezelige keukentje maakten ze, met zijn allen, versierde paaseitjes. Daartoe werden de buitenste schillen van ajuinen gekookt, om de roodbruine kleurstof los te weken. In het gekleurde water werden hard gekookte eieren een paar uur ondergedompeld tot ze vanzelf de kleur aantrokken. Met een klein scheermesje werden dan, in de rode schaal, tekeningen gekrast.

*

Voor zich ziet Bora een grote poort die in de stellingen staat. Ervoor staat een man, wijdbeens, met een brede riem waaraan touwtjes zijn geknoopt van ballonnen die boven hem uit zwiepen. Er is het iets te veel gezwollen hoofd van Mickey Mouse.

Bora blaast haar kaken op en knikt de man toe.

Zou hij het geloven? Zou hij haar geloven, als zij, in plaats van door de poort te wandelen, bij hem was komen staan, een van de ballonnen naar zich toe getrokken had en hem had toevertrouwd dat zij, 73-jaar oude vrouw, zich soms, voor een fractie van een seconde, gevuld maar licht voelde en dreigde op te vliegen, hoog boven alles uit, om dan te blijven haken, ergens, het liefst aan een boom, buiten de stad, die waarover Tymon eens had verteld, vlakbij het verlaten klooster met de vleermuizen, met boomwortels zo hoog dat je er kon aan schommelen?

Statie elf

"Eigenlijk houd je niet van mij", zei Bora, "je verhoudt je tot mij." Ze zei het tussen twee dampende lepels soep door. De soep in Le Musée de Poche was elke dag vers. Misschien had Bora stiekem gehoopt dat Tymon haar zou tegenspreken. Maar hij antwoordde, zijn hoofd een beetje schuin, zoals altijd wanneer zijn gedachte nog niet helemaal rond was: "Ja, dat is misschien wel goed gezien."

Tymon had iemand nodig die weerstand bood, zodat hij niet los door het leven heen schoot. Je kan pas schilderen als er iets is dat de borstel stopt, een wand, een linnen, een vlak, een achterkant.

*

Aan de andere kant van de Krakowksa-poort staat een dicht op elkaar gepakte groep mensen. Bora loopt ernaar toe. De stoet zet zich in beweging en stopt een paar meter verder weer. Vooraan staat een man die de groep toespreekt. Hij staat hoger dan de rest. Bora vraagt zich niet af waarom deze mensen zich verzameld hebben, of wat de man vooraan vertelt, lijzig en ijl, in een megafoon die alleen hoge tonen versterkt.

Illustratie: Chiel te Bokkel

Ze vraagt zich alleen af hoe het komt dat deze man hoger staat dan de rest van het volk. Staat hij op een trapladdertje? Of op een bierkrat? Opnieuw zet de stoet zich nu in beweging. Bora probeert zich door de groep heen naar voor te dringen. Misschien, zo denkt ze, is het gewoon een heel lange man en komt hij daarom boven iedereen uit. De groep komt weer tot stilstand.

Dan ziet ze het. De man staat op de rug van een andere man die voorovergebogen op de grond zit. Als de man met de megafoon gesproken heeft, stapt hij van de gebukte af. De stoet gaat verder. Plots werpt iemand anders zich, een vrouw nu, voor de voeten van de spreker. De spreker klimt op de rug en orakelt verder. De paasprocessie is nu bij statie twaalf.

Statie twaalf

"Stel", vroeg Tymon, "we krijgen ooit een kind. Op wie zou het dan het meest lijken, denk je?" Of: "stel, we hebben een kind, naar waar zouden we dan nu op vakantie gaan?"

Hij koos al die jaren voor een voorwaardelijke wijs. Op een keer zei hij "stel", er volgde een lange pauze en toen zei hij, met gezakte stem, "laat maar".

"Stel, we krijgen een kind?" vroeg Bora.

Zijn ogen glinsterden, "ja", zei hij, en trok zich aan haar woorden op.

Bora had gedacht dat er nog iets zou volgen, maar daar bleef het bij. Hij vulde de zin niet aan. Ze trok hem naar zich toe en legde zijn hoofd op haar schoot.

*

Bora vraagt zich af hoe het zou zijn als mensen met een heel groot verdriet dat verdriet, nog voor het zou slinken, zo intact mogelijk konden bewaren. Dat ze het – letterlijk dan – een plaats konden geven, er een stad van konden maken.

En dat een volgende generatie dat verdriet zou kunnen komen bezoeken, met rugzakjes, stadsplannen en foldertjes.

Statie dertien

Het is gek. Nochtans had ze nooit een kind gewild. Hun zuigkracht. Ze trekken alles naar zich toe, kinderen. Maar nu ze al lang onvruchtbaar is, nu ze steeds minder stapt en eerder struikelt, nu ze dor is en rimpelt als bij eb het strand, nu haar armen te slap zijn om een kind te dragen, denkt ze aan hem, hoewel ze ertegen vecht, steeds minder als haar man en steeds meer als haar zoon, mijn zoon, ik wil je wiegen in mijn schoot, je beschermen, hoewel je dood bent en dus niet meer vatbaar voor gevaar.

Alles staat open. Er is allang geen speling meer, geen kier waardoor, als je onoplettend bent, het leven kan ontsnappen. Er is allang geen weerstand meer, niets waartegen jij nog kan botsen, terwijl ik voortdurend bots in Lublin, deze stad met straten als sleepsporen van het verleden, tegen paaltjes, mensen, het idee dat je met de jaren wel sterker zou worden en dan zeker je armen, dat ik er ooit in zou kunnen hangen, als een kind in een looprek.

*

Ik had gedacht dat je in mijn herinnering zou verderleven, niet echt, maar zoals een foto misschien. Ook die trekken bij het ouder worden krom.

Ik had gedacht dat je in mijn herinnering zou groeien, opzwellen, knoestiger zou worden, als een boom die met zijn bladerdek alles overschaduwt, maar ook beschermt. Zodat niets nog uit de lucht kon vallen, onverwacht en zwaar. Zodat alles alleen nog kon binnensijpelen, vochtig, maar traag.

Drieëndertig jaar, nog even en je bent langer dood dan je ooit hebt geleefd. Wat zal ik doen? Zal ik mijn appartementje in Parijs versieren, slingers uit de doos halen, de doos waarin ook de kerstspullen zitten en het geschilderde ei waarin je een kuiken voor mij kraste? Ik loop gebogen in een stad. Ik heb steeds meer zicht op mijn buik. Mijn ruggengraat bolt en mijn buik holt uit.

Statie veertien

Er staat een vrouw in de hoek. Haar achterkant is gebogen. Het stulpt in de lege ruimte van de kapel. Een lege, holle ruimte. Op de wanden staan trompes l’oeil geschilderd. Er is een grote poort in roze pastelkleuren, met daarboven twee engelen, die hun gewaden rijkelijk boven de boog van de poort draperen.

Er zijn veel soorten stilte. Er is een stilte die leeg is. Een volle. Een schuifelende stilte. Een stilte die zich laat delen, maar nooit halveren, zoals verdriet of als een worm. Er zijn de gewelven, die geleiden. Er is een vrouw, een oude vrouw met nylonkousen. Er zijn foldertjes van de kapel.

Noot van de auteur:
Dankzij deBuren verbleef ik twee weken in Lublin. Daar bezocht ik een tentoonstelling over de Poolse kunstenaar Tytus Dzieduszycki-Sas. Zijn werk maakte een bijzonder sterke indruk op mij. Op het internet zocht ik informatie over Tytus, maar kon niets vinden. Het enige wat ik te weten kwam is dat hij in Parijs verbleef, op vroege leeftijd stierf en dat zijn vrouw Barbara heet. De afwezigheid van informatie prikkelde mijn fantasie. Ik verzon mijn eigen verhaal. Bora is dan ook niet Barbara. Bora is misschien nog wel het meest een metafoor van mezelf in Lublin: traag, trillend, maar doelgericht.

-

Maud Vanhauwaert (1984) volgde de opleidingen Woordkunst en Taal- en Letterkunde en de master Meertalige Professionele Communicatie in Antwerpen. Ze wankelt naar eigen zeggen op de grens tussen het podium en de poëzie.


Chiel te Bokkel is illustrator, cartoonist en grafisch ontwerper. In zijn beeld zoekt hij een combinatie van realiteit, fantasie en het onbewuste.

Steun ons en word kunstverzamelaar

Hard//hoofd is al bijna tien jaar een vrijhaven voor jonge en experimentele kunst, journalistiek en literatuur. Een walhalla voor hemelbestormers en constructieve twijfelaars, een speeltuin voor talentvolle dromers en ontheemde jonge honden. Elke dag verschijnen op onze site eigenzinnige artikelen, verhalen, poëzie, kunst, fotografie en illustraties van onze jonge makers. Én onze site is helemaal gratis.

Zonder jou kunnen we dit niet blijven doen. Als je ons steunt, dan maken wij jou meteen kunstverzamelaar door je speciaal geselecteerde kunstwerken toe te sturen. Verzamel kunst en help je favoriete tijdschrift het volgende decennium door.

Steun ons
het laatste
Essay: Je bent pas weg als je niet reageert 2

Je bent pas weg als je niet reageert

Moderne communicatie komt met allerhande sociale ongemakken en twijfels. Maarten Buser over nabijheid en afstand en wat Kanye West hiermee te maken heeft.

Actueel Maarten Buser
Beeld Pirmin Rengers
Column: Glitterachtig afscheid

Glitterachtig afscheid

Oud en nieuw doet Iduna Paalman altijd aan glitters en aan afscheid denken. Door die ene oudjaarsavond van 1999.

Columns & Commentaar Iduna Paalman
Beeld Daphne Prochowski
Gedicht: Heilig is de tong waar de waarheid op ligt


Heilig is de tong waar de waarheid op ligt

Yentl van Stokkum brengt in het kader van de Fakeweek een ode aan de tong, die ieder woord kan omkeren tot het klinkt als de waarheid.

Best of 2018 Yentl van Stokkum
Beeld Ka-Tjun Hau
De noodzaak van het nietsdoen

De noodzaak van het nietsdoen

Koen Schouwenburg schrijft over het schemergebied tussen luieren voor de lol en luieren omdat je niet anders kunt. Proust, Kabouterland, Ottessa Moshfegh en Louis-Ferdinand Céline staan hem bij.

Best of 2018 Koen Schouwenburg
Beeld Merlijn van Bijsterveld
Hard//talk: Het beste van 2018

Het beste van 2018

Hard//hoofd zet de tien beste hard//talks van 2018 op een rij.

Actueel Hard talk-redactie

Donkere materie

Marijn van der Leeuw maakte foto's en Selin Kuscu gebruikte die als uitgangspunt voor een kort verhaal.

Best of 2018 Selin Kuscu
Beeld Marijn van der Leeuw
Biechtweek: Kutmus

Kutmus

Als mensen je niet de kans geven om je diepste gevoelens aan hen op te biechten, kun je altijd nog te biecht gaan bij mussen. Een kort verhaal van Wiard van der Kooij.

Best of 2018 Wiard van der Kooij
Beeld Friso Blankevoort
Mag ik even de aandacht

Mag ik even de aandacht?

'Als we onze gestolen momenten willen terugeisen, moeten we eerst erkennen dat de huidige digitale middelen onze vrijheid niet vergroten, maar inperken.'

Actueel Mathijs Hoogenboom
Beeld Chloé Pérès-Labourdette
Filmtrialoog: The Disciples – een straatopera

The Disciples – een straatopera

'Een opera maken met twintig daklozen is vragen om problemen.' Onze redacteuren namen de proef op de som.

Actueel Redactie
Beeld Friso Blankevoort
Messy shit 3

Messy shit

Lot Veelenturf veranderde hun naam en begon daarmee een zoektocht naar hun nieuwe stem. De acceptatie van hun flexibele genderidentiteit vereist ook een onbevooroordeeld luisteren van hen omgeving, aan wie Lot zich opnieuw voorstelt.

Actueel Lot Veelenturf
Beeld Evelien Cambré

Hard//hoofd is al bijna tien jaar een artistieke en journalistieke vrijhaven voor jong talent en experiment. Elke dag verschijnen op onze site eigenzinnige artikelen, verhalen, poëzie, kunst, fotografie en illustraties van onze jonge makers. Helemaal gratis. We kunnen dit niet blijven doen zonder jouw hulp. Als je ons steunt, dan sturen we je als dank de interessantste Hard//hoofd-kunstwerken toe. Word kunstverzamelaar en help Hard//hoofd het volgende decennium door.

Steun ons